FAQ
Kunt u mij helpen op te komen voor een populier?
Er komen bij Actie populierenland veel vragen binnen van mensen die op willen komen voor een populier bij hun in de omgeving en vragen Stichting Populier om hulp. Helaas is Stichting Populier niet ingericht om deze mensen te helpen, anders dan met inhoudelijke informatie op deze site, brochures, voorlichtingsbijeenkomsten e.d. Stichting Populier heeft namelijk geen mensen in dienst. Gelukkig is er wel een andere organisatie die u wel kan helpen en dat is de Bomenstichting. Ga voor informatie naar www.bomenstichting.nl
Heeft de populier geneeskrachtige werking?
Oude kruidenboeken: van Maerlant tot Munting

Wie populierengebruik vereenzelvigt met pulp, fineer of lucifers, verzuimt alle registers open te trekken. Reeds in de middeleeuwen staat de Populier bekend als een vermaard geneesmiddel. De zalf van de knoppen bezit een soort status van tijgerbalsem en het is niemand minder dan Jacob van Maerlant, die ons daarover inlicht in zijn Der naturen bloeme uit omstreeks 1270 (Verwijs 1879). Een andere dertiende-eeuwse encyclopedist, de Engelse monnik Bartholomeus Anglicus, vermeldt het onderscheid tussen witte en zwarte populieren, maar geeft verder geen details over een verschil in gebruik (Jansen-Sieben 1994). Het befaamde Cruijdeboek van Rembert Dodoens (1554) vermeldt als respectievelijke Brabantse namen Abeelboom en Populier (of Popelaere). De abeelbomen onderscheiden zich doordat hun bladeren een witte, wolachtige onderzijde bezitten. Het lijkt dus vanzelfsprekend om de witte populieren te beschouwen als Witte abeel (Populus alba) en de zwarte als Zwarte populier (Populus nigra). Beide soorten komen hier ten lande zeer algemeen voor. Opmerkelijk is dat Dodoens bij Populus alba niet vermeldt dat de soort aangeplant wordt of in andere landen voorkomt, terwijl hij dat doorgaans wel doet bij uitheemse soorten. Misschien werd niet altijd een onderscheid gemaakt met de mogelijk inheemse Grauwe abeel (Populus canescens). Lambinon (1998: 214) zegt hierover: ‘Populus canescens werd volgens de gangbare opvatting steeds als een hybride tussen P. alba en P. tremula beschouwd. Deze oorsprong wordt nu betwist en volgens sommige auteurs zou deze populier, in tegenstelling tot P. alba, inheems zijn in West-Europa

Bij Dodoens komen we ook meer te weten over het gebruik. Van de witte wordt de bast aangewend bij prostaatproblemen (coude droppelpisse) en heupjicht (sciatica), terwijl de zwarte populier het moet hebben van zijn welriekende bottekes. Van deze laatste wordt een befaamde zalf gemaakt, die Dodoens als een EHBO-middeltje voor allerlei kneuzingen en verwondingen beschouwt. Een kompres van fijngestampte bladeren en knoppen zou effectief zijn tegen jicht (fledercijn) aan handen en voeten. Voor het gebruik van bladsap als pijnstillende oordruppels kunnen zowel populieren als abelen dienstig zijn.
Abraham Munting legt in zijn bekende kruidenboek uit 1696 sterk de nadruk op het gebruik van Zwarte populier, a fortiori voor het bereiden van de knoppenzalf. De Abeel beschouwt hij duidelijk als minder krachtig. Aangaande de inheemse Ratelpopulier (Populus tremula) is in de oude kruidenboeken niets terug te vinden.



Moderne literatuur: populine, salicine en propolis

Recente wetenschappelijke literatuur over de medicinale werking van populieren (of abelen) is bijzonder schaars. Dat blijkt uit een bevraging van de Medline, een soort Google voor geneeskundige artikels (www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi). Degelijk onderzoek naar kruidengeneesmiddelen beperkt zich voor vele plantensoorten tot de Aziatische landen en kent niet altijd een internationale verspreiding. Bij het gebruik van de populier in de apotheek wordt een onderscheid gemaakt tussen de knoppen, de bast en de bladeren.

De bereiding van de knoppen komt aan bod in de Belgische farmacopee uit 1930, een soort standaardwerk voor planten met een destijds in ruime kringen aanvaarde medicinale toepassing. Het betreft in feite een receptenboek voor apothekers, dat verschijnt aan de vooravond van de doorbraak van de synthetische geneesmiddelen. De zalf met de knoppen van Zwarte populier (Populi pomatum) wordt zelfs opgenomen in de lijst van nieuwe geneesmiddelen, die een werkelijk nut schijnen op te leveren en in de geneeskundige praktijk in België en in Congo gewoon gebruikelijk zijn geworden (Anonymus 1960: VI). De werking van deze knoppenzalf - die tevens de bladeren van Bilzekruid en Wolfskers bevat - komt aan bod in het compendium van apotheker Van Hellemont (1988). In dit overzicht van moderne kruidenkennis worden volgende indicaties opgesomd: sederend bij aambeien, kloven, brandwonden en reumatische pijnen.

De fysiologische uitwerking van de knoppen bestaat volgens Van Hellemont in een verlaging van de urinezuurbloedspiegel en een vermeerdering van de urinezuurafscheiding via de urine. Verwijdering van urinezuur heeft een positieve invloed op diverse reumatische toestanden en jicht (zie Dodoens!). Dit effect wordt toegeschreven aan een complex van fenolglycosiden, dat ontstekingsremmende eigenschappen bezit en karakteristiek is voor de Wilgenfamilie. In de bomen zelf fungeren deze inhoudsstoffen wellicht als afweermiddel tegen pathogenen. Van Genderen et al. (1997) vermelden in dit verband de sterk fungicide werking van trichocarpine. Felter & Lloyd (1898) beschouwen populine en salicine als de belangrijkste geneeskrachtige componenten van dit glycosidencomplex. Aspirine (acetylsalicylzuur) is trouwens niets anders dan chemisch gemodificeerde salicine, die oorspronkelijk uit wilgenbast gewonnen werd (Wilg = Salix). De genoemde inhoudsstoffen zouden ook in een werkzame (of zelfs nog hogere) concentratie aanwezig zijn in de knoppen van niet-inheemse populieren als Balsempopulier (Populus balsamifera), Amerikaanse trilpopulier (P. tremuloides) en de aan onze Westkust voorkomende Ontariopopulier (P. ´ jackii cv. Gileadensis) (cf. Grieve 1980). Als hybriden tussen Zwarte populier en Amerikaanse soorten, komen onze canada’s dus wellicht ook in aanmerking voor medicinaal gebruik. De namen ‘Balsempopulier’ en ‘cv. Gileadensis’ (afkomstig van Balm of Gilead uit de Bijbel) verwijzen naar de middeleeuwse tijgerbalsemwerking van harsrijke knoppen. Een nog niet vermeld belangrijk bestanddeel van deze harsen is het flavonoïed chrysine, een geelachtige stof, die antibacteriële eigenschappen bezit. Deze werking is ook bekend van propolis, de knoppenhars die bijen in onze gewesten vooral op populieren verzamelen om te gebruiken als een antibioticum voor de bijenkorf.

Het gebruik van abelenbast krijgt geen aandacht in de Belgische farmacopee,maar wordt door Van Hellemont als obsoleet bestempeld en wordt ook in andere moderne Europese literatuur met een mindere rol bedeeld. De Amerikaanse kruidenboeken gaan er beduidend dieper op in, bijvoorbeeld in verband met de gunstige invloed op prostaatproblemen en aandoeningen van de urinewegen (zie Dodoens!). Felter & Lloyd (1898) vermelden ook de gunstige, relaxerende werking bij congestie van de baarmoeder. De bast van de meeste populierensoorten bevat in elk geval ook salicine en populine, maar het is niet duidelijk welk geheel aan stoffen nu precies verantwoordelijk is voor de genoemde effecten op het uro-genitale stelsel. Het koortswerend effect wordt in verband gebracht met de aanwezigheid van salicine en is analoog aan de ontstekingsremmende werking van wilgenbast en aspirine (zie hoger).

Alhoewel de medicinale deugden van populierenbladeren nauwelijks te boek staan, bevatten deze ook fenolglycosiden. Als regel is de concentratie het hoogst in het voorjaar. In de bast is het verloop juist omgekeerd, met een maximum in de winter en een minimum in de zomer (van Genderen et al .1997).

Tot besluit
Van verschillende populierensoorten kunnen zowel de bast (b.v. van 2-3-jarige twijgen), de jonge bladeren als de winterknoppen worden gebruikt voor medicinale doeleinden. Belangrijke inhoudstoffen in dit verband zijn verschillende fenolglycosiden en het flavonoïed chrysine. Bekende indicaties zijn reumatische syndromen (b.v. door opstapeling van urinezuur), aandoeningen van de urinewegen en ontstekingen met koorts. Het is wellicht interessant om te onderzoeken in hoeverre soorten en variëteiten verschillen in hun productie aan inhoudstoffen en medicinale werking.



Referenties

Anonymus (1930). Belgische Pharmacopee. 4de uitgave. Boekdrukkerij van ‘t Militair Landkaartinstituut, Brussel.

Dodoens, R. (1554). Cruijdeboek [fac simile 1978]. van der Loe, Antwerpen.

Felter, H.W., Lloyd, J.U. (1898). King’s American Dispensatory [scanned version © 1999-2004 Henriette Kress] http://www.ibiblio.org/herbmed/eclectic/kings/main.html.

Grieve, M. (1980). A Modern Herbal. Reprint. Penguin Books, London.

Jansen-Sieben, R. (1994). Bomen in het middelnederlandse bos. In: Billen C & Vanrie A (red.) Les sources de l’histoire forestière de la Belgique – Bronnen voor de bosgeschiedenis van België – Acten van het colloquium Brussel (29-30.10 1992) - Archief- en bibliotheekwezen in België 45 (extra nummer). Algemeen Rijksarchief Brussel, pp. 67-78.

Lambinon, J., De Langhe, J.-E., Delvosalle, L., Duvigneaud, J. (1998). Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteridofyten en Spermatofyten) - Derde druk. Nationale Plantentuin van België, Meise.

Munting, A. (1696). Nauwkeurige beschrijving der aard-gewassen. François Halma, Utrecht.

Van Genderen, H., Schoonhoven, L.M., Fuchs, A. (1997). Chemisch-ecologische Flora van Nederland en België. 2de herziene druk. Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging Uitgeverij, Utrecht.

Van Hellemont, J. (1988). Fytotherapeutisch compendium. Tweede druk. Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Zaventem.

Verwijs, E. (1878). Jacob van Maerlant’s Naturen Bloeme [2 delen, reprint 1980]. Bibliotheek van Middelnederlandsche Letterkunde, Groningen.

Auteurs

Hans Baeté en Linda Meiresonne, Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer.
Leidt populierenpluis tot gezondheidsproblemen?
Volgens medisch specialisten leidt populierenpluis niet tot klachten aan de luchtwegen. Het stuifmeel van populieren leidt ook zelden tot hooikoorts. Hooikoorts is een allergische reactie die wordt veroorzaakt door pollen (stuifmeel) van gras, bomen en allerlei kruidachtige planten die door de wind worden meegevoerd. In feite is de term 'hooikoorts' dus nogal ongelukkig, want het heeft absoluut niets met hooi, noch met koorts te maken. Pollen bestaan uit microscopisch kleine korreltjes die zich ontwikkelen in de meeldraden van bloemen, grassen, struiken en bomen. Soms zijn ze zo licht dat ze door de lucht kunnen zweven. De meeste pollenkorreltjes meten tussen 10 en 30 micron (één micron is het duizendste van één millimeter). Van de vele duizenden planten die hun stuifmeelkorrels via de lucht verspreiden, zijn er enkele honderden soorten die allergie kunnen veroorzaken. Het gaat vooral om planten met lichtgekleurde bloesems die door de insecten niet worden opgemerkt. Afhankelijk van de pollen waarop iemand allergisch reageert , kan de hooikoortsperiode enkele weken tot enkele maanden duren. De pollen van bomen zoals berk, eik, haagbeuk, hazelaar en els ontwikkelen zich tussen februari en mei, terwijl graspollen hun piek bereiken tussen mei en juli. De pollen van de populier komen in maart tot en met mei vrij (zie pollenkalender).

Opgelet: naargelang de klimatologische omstandigheden (bv. zachte winter) kunnen de stuifmeelperiodes veranderen.
Hoe ontstaat die kenmerkende breuk met een glad breukvlak bij populier?
Door storm of heftige rukwinden kan in populierenbeplantingen breuk optreden, waarbij de hele top of een gedeelte van de kroon verloren gaat. De breuk vertoont dan meestal een zeer onregelmatig breukvlak. Bij Robusta en incidenteel bij andere klonen is soms een deel van het breukvlak echter vrij glad, terwijl het andere gedeelte door het breken van de stam is versplinterd of afgescheurd. Op het gladde gedeelte van het breukvlak, heeft het hout soms een donkerder kleur dan het andere gedeelte. De stam is hierbij in de meeste gevallen in het onderste deel van de levende kroon of vlak hieronder afgebroken. De oorzaak hiervoor ligt in beschadiging van de vezels in een eerdere storm. Ten gevolge van het zeer sterk doorbuigen van de stammen tijdens storm worden de vezels in het niet aan de wind blootgestelde stamgedeelte zeer sterk samengedrukt. Door deze beschadiging breken de stammen na verloop van tijd af bij wind uit de tegengestelde richting. Dit gebeurt zelfs al bij relatief weinig wind, vooral als de bomen in blad staan. Het beschadigde deel van de stam vertoont dan het gladde breukvlak. Soms wordt het beschadigde deel van de stam geïnfecteerd door een schimmel, waardoor de weerstand tegen wind nog verder afneemt. Het gedeelte van de stam waar de vezels als het ware worden uitgerekt, vertoont geen enkele aantasting.
Wat zijn klonen, cultivars en rassen?
Bij populier horen de termen klonen, cultivars en rassen. Een kloon is de verzamelnaam voor alle planten, die door één of andere wijze van ongeslachtelijke, vegetatieve vermeerdering (stekken, enten, occuleren, afleggen, etc.) van één enkele plant zijn verkregen. Dit houdt in dat alle planten die tot één kloon behoren, precies dezelfde erfelijke eigenschappen bezitten. Planten die uit zaad zijn ontstaan, ook als het van één boom komt, kunnen dus nooit tot één kloon behoren.

Het begrip cultivar is moeilijker te omschrijven. Het is afgeleid van het woord cultuurvariëteit. Deze naam duidt aan dat het gaat om een groep planten die door cultuur in stand worden gehouden en die voor de cultuur van waarde is. Het is een eenheid binnen de soort en omvat een bepaald type planten, dat zowel uit zaad als door vegetatieve vermeerdering kan zijn ontstaan. Een cultivar kan bijvoorbeeld bestaan uit een aantal veel op elkaar lijkende klonen. Een cultivar kan, zoals meestal het geval bij de populier, ook één kloon omvatten. De term ras is een andere term voor cultivar.
Waarom werd vroeger veel els aangeplant in populierenbossen?
Vroeger werd de els onder andere tussengeplant voor brand- en geriefhout, maar de aanleg van deze menging bleef ook in stand toen dit hout onverkoopbaar was geworden. Dit gebeurde omdat een onderteelt van elzen de groei van populier bevordert. De wortelknolletjes van els bevatten bacteriën die in staat zijn om vrije stikstof uit de lucht te binden en om te zetten in een voor de boom opneembare stikstofverbinding. Ook de populieren profiteren van deze stikstofverrijking, doordat de stikstof uit de afgevallen bladeren en takken van elzen vlug ten goede van de bomen komen. Verder is de els zo dicht bebladerd dat gras en vele onkruiden zich niet kunnen handhaven, zodat er maar een ijle vegetatie overblijft onder de bomen. Dit vermindert op zijn beurt de concurrentie om vocht en voedingstoffen. Een gunstige bijkomendheid is dat de elzen het rechtopgroeien en de takafstoting (minder snoei nodig) van de populieren bevorderen. 
Zorgt de populier voor verdroging?
Populier is inderdaad een boomsoort die een voldoende vochtvoorziening vereist. Dat de huidige verdroging, die wordt vastgesteld in Vlaanderen, echter te wijten is aan de aanwezigheid van populier is onjuist. Het is vooral de alom aanwezige waterwinning (drinkwater, landbouw, industrie) die de belangrijkste oorzaak is van de verdroging. Verdamping van populier is zelfs vergelijkbaar met deze van een bestand van Gewone den (figuur 1) en van weiland. Immers er treedt geen verdamping op tijdens de bladloze periode, terwijl naaldbomen ook in de winter nog verdampen en de transpiratie van grasland reeds vroeg in het voorjaar op gang komt (figuur 2).

Figuur 1
Maandsommen van transpiratie van een populierenbestand en een Grove dennenbestand voor het jaar 1997 (Bron: IBW)

Figuur 2
Meerjaargemiddelde van het waterverbruik als percentage van de bruto neerslag van verschillende bodemgebruiksvormen, bepaald over de periode 1974 t/m 1978, voor diverse plaatsen in Nederland en geldend voor zandgrond. (Bron: SWNBL, 1990)

Leidt de populier langs waterlopen tot vissterfte?
De bladval van populier die in de waterlopen terecht komt kan vissterfte veroorzaken. Inderdaad onttrekt de bladval bij de ontbinding ervan zuurstof aan het water. Voor populier is dit echter niet uitgesproken meer of minder dan voor andere boomsoorten die op vergelijkbare bodems voorkomen. Laboratoriumproeven (Tremoliers & Carbienier, 1977) toonden aan dat in hard water de zuurstofconsumptie in mg per liter water bij blad van Euramerikaanse populier 2, 6 bedroeg, terwijl dit bij Zwarte els en Gewone es respectievelijk 2.2 en 8.1 betrof. Om zuurstofgebrek in waterlopen te vermijden dient een zekere afstand tot de oever gerespecteerd te worden, ongeacht de boomsoort.
Leidt de populier tot verruiging?
Brandnetel is eerder een indicator voor hoge fosforgehalten in de bodem dan een indicator voor hoge stikstofgehalten. De hoge fosforgehalten zijn niet te wijten aan de populier zelf, maar aan het feit dat populier voornamelijk voorkomt op recent (vanaf 1945) beboste landbouwgronden (voormalig weiland) die reeds een hoog fosforgehalte vertonen (figuur 3). De aanwezigheid van Brandnetel is ook afhankelijk van de lichtintensiteit die de bosbodem bereikt. Een onderetage zal hier de ontwikkeling van Brandnetel en andere ruigtekruiden sterk onderdrukken.
Ook recente bebossingen van landbouwgronden met andere soorten vertonen een sterke ontwikkeling van ruigtekruiden, in het bijzonder van Brandnetel.

Figuur 3
Relatie tussen de bosleeftijd en het P-gehalte van de bodem in het Muizenbos, met een aanduiding van de vegetatietypes (gebaseerd op Martens (1996).
Is de populier een exoot?
Populierenteelt is inderdaad een vorm van bosbouw die gebruik maakt van klonen, die momenteel ofwel hybriden zijn van de inheemse soort (Europese zwarte populier) met een uitheemse (Amerikaanse) soort of hybriden zijn van twee Amerikaanse soorten. De inheemse soort zelf wordt (bijna) niet aangeplant omwille van zijn lage houtkwaliteit. De invloed van het gebruik van exoten op de biodiversiteit is in het geval van populier beperkt daar de meeste (insecten-) soorten eerder genusgebonden zijn dan soortgebonden (zie ook onder knop ‘Natuur’).